Ons bedrijf werd opgericht in 1998 en is sinds 2002 gevestigd in het hart van Zaltbommel. Met een achtergrond in accountancy herkenden onze oprichters de behoefte aan een betrouwbaar administratiekantoor dat zich specifiek richt op de unieke behoeften van het midden- en kleinbedrijf. VOB is dan ook opgericht met als doel ondernemers te ondersteunen op financieel gebied.
Met een team van ervaren professionals streven wij ernaar om hoogwaardige administratieve diensten en proactief advies te bieden. Wij ontzorgen u door de administratieve last weg te nemen en voorzien u van betrouwbare financiële informatie. Onze kracht ligt in de kwaliteit van onze dienstverlening en klantgerichtheid, waardoor meerdere bedrijven al meer dan 20 jaar gebruikmaken van onze services.
Wij richten ons op kleine en middelgrote ondernemingen in diverse sectoren. Als betrouwbare en deskundige partner bieden wij uitgebreide administratieve ondersteuning, waaronder belastingaangiften, jaarrekeningen, salarisadministratie en fiscaal advies. Onze ervaring en expertise zorgen ervoor dat uw onderneming in goede handen is.
![]()
Deskundig
![]()
Betrouwbaar
![]()
Toegankelijk
![]()
Betrokken
![]()
Proactief
De dga en zijn partner zijn wettelijk verplicht om voor hun werk voor de bv ten minste een gebruikelijk loon te ontvangen. Het gebruikelijk loon moet minimaal het hoogste zijn van de volgende drie bedragen:
Loon in natura, bonussen en de bijtelling voor privégebruik van een auto tellen mee. De bv mag aannemelijk maken dat het salaris van de dga lager moet zijn dan het op basis van het voorgaande vastgestelde bedrag. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij parttime werkzaamheden, structurele verliezen of wanneer sprake is van een startende onderneming.
Let op! De regeling geldt afzonderlijk voor iedere vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden en waarvoor de dga of zijn partner arbeid verricht.
Houders van een aanmerkelijk belang in een bv (5% of meer van de aandelen) moeten inkomstenbelasting in box 2 betalen over schulden aan de eigen bv, voor zover deze op 31 december 2026 meer bedragen dan € 500.000. Deze grens wordt mogelijk in vijf stappen van € 80.000 beperkt tot € 100.000 in 2031. In 2027 is de grens dan € 420.000.
Om de hoogte van de lening vast te stellen, tellen alle schulden aan de bv mee, behalve de eigenwoningschulden voor zover aan de bv een recht van hypotheek is verstrekt. Schulden bij meerdere bv’s worden bij elkaar opgeteld. Een schuld die eerder in box 2 werd belast op grond van deze regeling, wordt niet opnieuw belast. Vorderingen worden niet automatisch verrekend bij het bepalen of de schuld te hoog is. Als verrekening gewenst is, moeten ab-houders dit zelf regelen via een daadwerkelijke (civielrechtelijke) verrekening. Het is belangrijk om dit voor het einde van december te doen.
Het tarief voor dividenduitkeringen aan dga’s bedraagt 24,5% over de eerste € 68.843 (2027: € 69.703) en 31% over het meerdere. Deze tarieven worden van 2027 tot en met 2030 mogelijk verlaagd naar 23,5% en 29%. De schijfgrens groeit deels mee met de inflatie. Fiscaal partners kunnen tweemaal profiteren van de eerste tariefschijf. Of het verstandig is om in 2026 dividend uit te keren, is mede afhankelijk van het bestedingsdoel. Niet-uitgegeven dividend valt begin 2027 meteen in box 3. Dat maakt de dividenduitkering weer iets minder gunstig.
Let op! Een dividenduitkering heeft mogelijk ook invloed op de algemene heffingskorting. Sinds 2025 bouwt deze heffingskorting niet alleen af met het toenemen van het inkomen in box 1, maar wordt ook rekening gehouden met het inkomen in box 2 en 3. Het kan daardoor voordeliger zijn om het dividend niet te verdelen.
Premies voor lijfrentevoorzieningen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. De premies zijn aftrekbaar voor mensen die op 1 januari niet meer dan vijf jaar ouder zijn dan de AOW-leeftijd. De aftrek is begrensd op 30% van de premiegrondslag. De premiegrondslag is het totaal van de winst uit onderneming, het resultaat uit werkzaamheden, het loon uit dienstbetrekking en de ontvangen periodieke uitkeringen en verstrekkingen in het vorige jaar. De premiegrondslag bedraagt maximaal € 137.800, verminderd met een bedrag van € 19.172 (2027: € 19.845).
De aftrekbare premie (jaarruimte) bedraagt maximaal € 35.589 (2027: € 35.387). De jaarruimte wordt verminderd met de opbouw van pensioenaanspraken. Wie in de voorgaande tien jaren de jaarruimte niet of niet geheel heeft benut, kan gebruikmaken van een aanvullende aftrek. Deze zogenoemde reserveringsruimte bedraagt maximaal € 42.753 (2027: € 43.287).
Voor tijdelijke oudedagslijfrenten geldt als voorwaarde voor aftrekbaarheid van de premie dat het bedrag van de jaarlijkse uitkering niet hoger mag zijn dan € 27.192 (2027: € 27.532). De uitkeringen mogen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt en niet later dan vijf jaar na dat tijdstip.
Als iemand overlijdt, gaat zijn vermogen naar zijn erfgenamen. De erfgenamen moeten over hun aandeel in de nalatenschap erfbelasting betalen. Zonder testament is in veel gevallen de wettelijke verdeling van toepassing. De langstlevende partner verkrijgt de goederen van de nalatenschap en neemt de schulden voor zijn of haar rekening. De kinderen krijgen ieder een geldvordering op de langstlevende ter grootte van hun erfdeel. Voor de partner geldt een hoge vrijstelling van € 828.035 (2027: € 849.564).
Let op! Deze vrijstelling wordt verminderd met de waarde van de aan de partner toekomende vrijgestelde pensioenaanspraken. De vrijstelling voor de kinderen is beperkt tot € 26.230 (2027: € 26.912).
De wettelijke regeling kan goed uitpakken, maar een testament kan helpen om bij overlijden belasting te besparen. Soms wordt gekozen voor het verschuiven van erfbelasting in plaats van besparen van erfbelasting. Een mogelijke reden hiervoor is dat het geld vastzit, bijvoorbeeld in een huis of in beleggingen. Het kan fiscaal gunstig zijn om ook de kleinkinderen te laten erven, bijvoorbeeld door voor hen legaten op te nemen in het testament. Een kleinkind kan van zijn grootouders een bedrag van € 26.230 (2027: € 26.912) belastingvrij erven.
Tip! Laat regelmatig controleren of het testament nog actueel is en past bij de huidige situatie. Geen testament? Overweeg dan om er een op te laten stellen.
Gebruik de schenkingsvrijstellingen
Door tijdens het leven (een deel van) het vermogen vrijgesteld te schenken aan kinderen, kan de toekomstige heffing van erfbelasting worden beperkt. Naast de jaarlijkse vrijstelling voor een schenking van ouders aan een kind van € 6.908 (2027: € 7.088), bestaat er voor kinderen tussen 18 en 40 jaar eenmalig een verhoogde vrijstelling van € 33.129 (2027: € 33.991). Voor schenkingen aan kleinkinderen geldt een vrijstelling van € 2.769 (2027: € 2.841).
Schenken op papier
Een schenking op papier houdt in dat een schenker geen geld overdraagt, maar verklaart een bepaald bedrag schuldig te zijn aan de ontvanger. Hierdoor ontstaat een schuld voor de schenker en een vordering voor de ontvanger van de schenking. De schenking vermindert de nalatenschap als daarvan een notariële akte is opgemaakt en elk jaar daadwerkelijk minimaal 6% rente wordt betaald aan de ontvanger. In de schenkingsakte wordt vastgelegd dat de vordering pas opeisbaar is bij het overlijden van de schenker. Dit heeft als voordeel dat er dan minder erfbelasting verschuldigd is. Als de schenking op papier tijdens het leven wordt uitbetaald, bijvoorbeeld na verkoop van het huis, dan is een notariële akte niet per se nodig.
Groen beleggen krijgt in box 3 nu nog een vrijstelling en heffingskorting. In 2026 bedraagt de vrijstelling maximaal € 26.715 (partners € 53.430) en de heffingskorting 0,1% daarvan. Deze voordelen voor groen beleggen zouden per 2027 volledig verdwijnen. De Belastingdienst gaf echter aan dat dit technisch niet uitvoerbaar is. Daarom is de vrijstelling in 2027 verlaagd tot € 200 (partners € 400). De heffingskorting blijft bestaan, maar is door de lage vrijstelling verwaarloosbaar. Per 2028 verdwijnen de vrijstelling en de heffingskorting voor groene beleggingen volledig.
Het kabinet wil het nieuwe box 3-stelsel ingrijpend aanpassen. In een novelle op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt voorgesteld om niet alleen vastgoed, maar ook vrijwel alle financiële beleggingen onder een vermogenswinstbelasting te brengen. Tegelijkertijd wordt de invoering van het nieuwe stelsel een jaar uitgesteld naar 1 januari 2029.
Het oorspronkelijke wetsvoorstel gaat uit van een hybride systeem. Vastgoed en aandelen in start- en scale-ups vallen onder een vermogenswinstbelasting, terwijl voor de meeste andere beleggingen een vermogensaanwasbelasting zou gelden. Daarbij wordt niet alleen belasting geheven over ontvangen rente en dividend, maar ook over jaarlijkse waardestijgingen, ongeacht of deze al zijn gerealiseerd.
Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer blijkt voor die aanpak onvoldoende politiek draagvlak te bestaan. Het kabinet kiest daarom voor een andere richting. Financiële instrumenten zoals aandelen, obligaties, opties en andere beursgenoteerde beleggingen moeten voortaan net als vastgoed onder een vermogenswinstbelasting vallen. Dat betekent dat waardestijgingen pas worden belast wanneer een belegging wordt verkocht.
Aanvankelijk was invoering voorzien per 2028. De Belastingdienst, de Raad van State en financiële instellingen hebben echter aangegeven dat die datum niet haalbaar is. Daarom stelt het kabinet voor het nieuwe box 3-stelsel een jaar later in werking te laten treden. Dat betekent dat ook in 2028 het huidige forfaitaire box 3-stelsel met tegenbewijsregeling van toepassing blijft.
De voorgestelde uitbreiding ziet op vrijwel alle financiële instrumenten. Hieronder vallen onder meer:
Voor bestaande beleggingen wordt een belangrijke overgangsregel voorgesteld. De verkrijgingsprijs wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2029. Waardestijgingen die vóór die datum zijn ontstaan, blijven daardoor buiten de heffing.
Een aantal vermogensbestanddelen blijft voorlopig onder de vermogensaanwasbelasting vallen. Dat geldt onder meer voor:
Volgens het kabinet is dit een tijdelijke situatie. Het uiteindelijke doel blijft een volledige vermogenswinstbelasting voor alle box 3-vermogensbestanddelen. De verwachting is dat deze tweede stap vanaf 2030 mogelijk wordt.
De overgang naar een vermogenswinstbelasting kost de schatkist geld. Om die derving op te vangen, kiest het kabinet voor aanpassingen in box 2.
De meest opvallende maatregel betreft excessief lenen van de eigen bv. De huidige grens van € 500.000 wordt vanaf 2027 jaarlijks met € 80.000 verlaagd. Uiteindelijk resteert per 2031 een grens van € 100.000.
Als tegemoetkoming worden de box 2-tarieven tijdelijk verlaagd. Het tarief van de eerste schijf daalt van 24,5% naar 23,5% en het tarief van de tweede schijf van 31% naar 29%. Deze verlaging geldt van 2027 tot en met 2030.
klik hier om oudere berichten in te zien